Gedurende ongeveer 6 maanden heb ik vrijwilligerswerk gedaan bij het kindertehuis van Senthalir Siruvar Illam, Mullaithevu, Sri Lanka – een gebied dat was getroffen door 30 jaar burgeroorlog tussen Tamils en Singhalezen. De tsunami eiste het leven van meer dan de helft van de kinderen, en de hele wereld was hier intensief getuige van via de media. Terwijl de kinderen de slachtoffers waren van de tsunami, waren wij hier het “slachtoffer” van de wereldwijde media. Hoeveel hebben we nu ècht gehoord van de grootste natuurramp van de moderne tijd? Deze kinderen hebben al een oorlog moeten doorstaan welke door de mens was veroorzaakt. Daarnaast overkwam hen de rampspoed van een zo mogelijk nog zwaardere vernietigende kracht – de tsunami en de overstromingen. We hebben allemaal kunnen zien hoe zij stierven, een voor een, duizenden na duizenden. Maar hoeveel van ons wisten hoe deze kinderen eigenlijk leefden?
Mijn reis naar Sri Lanka was een morele plicht voor mij welke ik gewoon moest vervullen. Vanuit mijn Tamil-cultuur en mijn Deense achtergrond zag ik er naar uit mijn moederland, Sri Lanka, van dienst te kunnen zijn, iets waar ik lang naar heb uitgezien.
Ik dank mijn ouders dat zij mij Tamil hebben leren spreken, waardoor ik heb kunnen communiceren met de kinderen in hun eigen taal. Dit was een van de belangrijkste benodigde middelen om de diepe duisternis en pijn in de ziel van de kinderen in het verwoeste Mullaittivu te kunnen openen.
Voorafgaand aan mijn reis heb ik in Denemarken veel tijd besteed aan het inzamelen van speelgoed, kleding, schoolmaterialen als (kleur)potloden, boeken, etc. Het was een dusdanig grote hoeveelheid spullen dat ik apart toestemming aan moest vragen voor de ruim 15 kg extra bagage. Toen was ik eindelijk klaar voor mijn lang verwachte reis.
In het kindertehuis woonden 115 nieuwsgierige en energieke kinderen van tussen de 9 maanden en 17 jaar oud. Vanaf dag 1 voelde ik mij een van hen. Zij leken erg gelukkig en spelbereid met mijn aanwezigheid als een nieuw lid van de groep. Ik ben dankbaar dat ik hier deel van uit heb mogen maken gedurende mijn verblijf.
Ik werkte in de middagen en avonden, nadat de kinderen uit school kwamen. De brandende middagzon vergde het grootste deel van mijn energie. Het nadeel van deze werkuren was dat er amper licht was in de avonduren, want er was slechts een klein petroleumlampje voorhanden.
Er was een klein leslokaal met een paar tafels, banken en een bord. Hier gebeurde het meest. Sommige kinderen renden wat rond in hun spel, terwijl anderen speelden met een bal. Een paar van de kleinere kinderen studeerden voor hun examens. De omstandigheden waren zo slecht dat ik mij amper kon voorstellen dat deze kinderen de gelegenheid kregen hun huiswerk te doen. Niet eerder dan tegen een uur of elf was er een beetje rust om verder te studeren met behulp van het petroleumlampje.
Ik had een paar Engelse boeken, boeken over computers en een paar andere educatieve boeken meegenomen voor de kinderen. Ik had ook mijn computer (laptop) meegenomen. Het was een grote verrassing voor hen een computer te zien, aangezien ze een computer alleen van plaatjes in boeken kenden. Een van de jongens kwam naar me toe en liet mij een tekening zien, en hij wees naar mijn computer. Ik kon de trots in zijn ogen zien dat hij helemaal zelf voor het eerst een computer had getekend.
Het was maar moeilijk om al de 30 kinderen tevreden te stellen en ze over de computer te leren, aangezien er maar beperkt elektriciteit beschikbaar was (tussen 18:00 en 21:00 uur). Het was ook nogal een opgave deze 30 kinderen in een klein kantoortje bij elkaar te stoppen.
De kinderen kwamen op verschillende tijden uit school. De jongste waren vroeg vrij, en de oudere kinderen wat later. Dit gaf me een zekere routine, waarin ik ze in bepaalde groepen kon indelen op volgorde van het tijdstip waarop zij “thuis” kwamen. Ook zat vaak de hele groep bij elkaar na school, aangezien hun (onderwijs)niveau gemiddelde wel ongeveer gelijk was.
De kinderen waren heel enthousiast Engels te leren, maar hun introverte karakter en gebrek aan zelfvertrouwen was vaak een obstakel de taal verder te ontwikkelen. De eerste uren met de kinderen in de klas waren heel bijzonder voor mij. De kinderen zaten op de grond, ze waren muisstil en keken naar beneden, terwijl ik nog wel een stoel had om op te zitten. Maar als ik wat vroeg, dan stonden ze pijlsnel op om een antwoord te kunnen geven, waarna ze net zo snel weer braaf gingen zitten. Hier was ik in Denemarken helemaal niet aan gewend. Ik legde hen uit dat er in Denemarken helemaal niet zo'n grote afstand is tussen docent en leerling, zoals dit in Sri Lanka wel het geval is. Ik vertelde ze dat het in Denemarken geen probleem is de docent bij de voornaam te noemen. De volgende dag hoorde ik dat een aantal personeelsleden erg boos was geworden op een van de kinderen toen zij hoorden dat deze mij bij mijn voornaam had aangesproken. Dit werd door het personeel van het kindertehuis als respectloos ervaren!
In de weekends gaf ik de kinderen les in dans, theater en kinderspelen. Al snel bleek dat er een tekort aan lesmaterialen was, en eigenlijk kon ik alleen maar het speelgoed en de spullen gebruiken die ik had meegebracht uit Denemarken. Toch was dit vaak precies genoeg de kinderen aandacht te geven en te boeien. Ik heb het als een grote gift ervaren te zien hoe hun gezichten zich vervulden van energie en motivatie om meer te leren, hetgeen mij uiteraard motiveerde door te gaan met het uitvoeren van taken in het tehuis.